- Home
- Kanker
- Soorten kanker
- Borstkanker bij vrouwen
- Risicofactoren borstkanker
Risicofactoren borstkanker
Bij borstkanker is het niet zoals bij
longkanker, waarbij één oorzaak (roken) 90% van de tumoren
verklaart. Bij borstkanker spelen vele risicofactoren een rol. Wel is bekend
dat borstkanker vooral voorkomt bij vrouwen van 50 jaar en ouder in de rijke
westerse landen.
Ook is duidelijk dat de vrouwelijke geslachtshormonen, met name oestrogenen, een zeer belangrijke rol spelen bij het ontstaan van borstkanker. Verschillende factoren hebben invloed op de hormoonhuishouding, waaronder de erfelijke aanleg en allerlei leefgewoonten.
Maar er zijn ook risicofactoren die niets met de geslachtshormonen te maken
hebben.
Erfelijke aanleg
Circa 5 tot 10% van alle vrouwen met borstkanker heeft de ziekte gekregen
door een
erfelijke aanleg. Bij erfelijke aanleg wordt borstkanker vaker
relatief jong, voor het 50e jaar, vastgesteld. Meestal zijn er verschillende
directe bloedverwanten (moeder, zussen) in verschillende generaties die
borstkanker hebben (gehad).
Ook het vóórkomen van zowel borstkanker als eierstokkanker in één familie of
bij één persoon kan verband houden met erfelijkheid. Dit komt onder andere
voor bij families met een 'BRCA1-mutatie' of 'BRCA2-mutatie'. Deze mutaties
verklaren ongeveer 2 tot 3% bij borstkanker. Bij vrouwen die een van beide
mutaties dragen is het risico op borst- en eierstokkanker sterk
verhoogd. De risicofactoren die bij andere vrouwen een rol spelen,
lijken daarnaast ook van invloed.
Wanneer het vermoeden bestaat dat in uw familie sprake is van een erfelijke
aanleg voor borstkanker, zal uw behandelend arts u verwijzen naar een
Klinisch Genetisch Centrum of een Polikliniek Erfelijke Tumoren.
Andere risicofactoren rond oestrogenen
Het risico op borstkanker is in lichte mate hoger bij:
- Vrouwen die weinig of geen kinderen hebben en/of hun eerste kind op latere leeftijd hebben gekregen.
- Vrouwen die geen of maar kort borstvoeding hebben gegeven.
- Vrouwen die vroeg zijn gaan menstrueren of laat in de overgang zijn gekomen.
- Vrouwen met overgewicht tijdens en na de overgang. Na de overgang (als de eierstokken geen hormonen meer produceren) vindt namelijk nog wel oestrogeenproductie plaats in het vetweefsel.
- Vrouwen die 'de pil' slikken. Tijdens de periode dat een vrouw de pil gebruikt, is het risico op borstkanker licht verhoogd. Dit risico neemt niet toe naarmate de pil langer wordt gebruikt. Het risico neemt af na het stoppen met de pil.
- Vrouwen die langer dan twee tot drie jaar hormoonpreparaten gebruiken in verband met overgangsklachten. Het risico neemt af als de vrouw met het gebruik van de hormoonpreparaten stopt.
- Vrouwen bij wie op een mammografie (röntgenfoto van de borst) 'dicht' borstklierweefsel te zien is.
- Vrouwen die over een langere periode dagelijks meer dan één glas alcohol gebruiken. Alcohol lijkt de hormoonhuishouding te kunnen beïnvloeden.
- Vrouwen die te weinig bewegen. Het is nog niet helemaal duidelijk waarom lichaamsbeweging goed is om borstkanker te voorkomen, mogelijk spelen hormonen hierbij een rol. Wel is duidelijk dat het risico afneemt naarmate vrouwen meer bewegen.
Overige risicofactoren
Hieronder staan andere factoren waarbij het risico op borstkanker licht
verhoogd is:
- Vrouwen die eerder borstkanker of een DCIS hebben gehad, hebben een verhoogd risico om nog een keer borstkanker te krijgen, ook in de andere borst.
- Vrouwen bij wie na een biopsie de
goedaardige borstafwijking atypische ductale hyperplasie of lobulair
carcinoma in situ is gevonden. Deze vrouwen hebben, afhankelijk van hun
familiegeschiedenis, een licht verhoogd risico om borstkanker te
krijgen.
Slechts een klein deel van de vrouwen met een dergelijke goedaardige aandoening ontwikkelt uiteindelijk borstkanker. Bij de meeste andere goedaardige borstafwijkingen is er geen verhoogd risico op borstkanker. - Vrouwen die voor hun 30e een bestralingsbehandeling hebben ondergaan (bijvoorbeeld vanwege het Hodgkin-lymfoom/de ziekte van Hodgkin).
- Vrouwen die in het verleden, tijdens hun zwangerschap, het hormoon DES hebben gebruikt (DES-moeders). Er is vooralsnog geen verhoogd risico op borstkanker bekend voor DES-dochters.
Bij een erfelijke aanleg kan het risico om borstkanker te krijgen sterk
verhoogd zijn.
Veel van de andere genoemde risicofactoren verhogen het risico op borstkanker slechts in lichte mate. Dat betekent dat over het algemeen het risico op borstkanker van vrouwen mét een risicofactor slechts licht verhoogd is ten opzichte van vrouwen zonder die risicofactor.
Vrouwen met een van die risicofactoren krijgen niet altijd borstkanker.
Bovendien zijn er ook vrouwen die toch borstkanker hebben gekregen zonder
dat een bekende risicofactor een rol speelde. Bij het ontstaan van
borstkanker zijn vrijwel altijd verschillende factoren betrokken. Het is
vaak moeilijk te zeggen waarom de ziekte zich juist bij die specifieke vrouw
heeft ontwikkeld.
Naar de relatie tussen borstkanker en voeding wordt veel onderzoek gedaan.
Tot nu toe is er geen duidelijke relatie gevonden.
Evenals alle andere soorten kanker is borstkanker niet besmettelijk.
Laatst gewijzigd op 12 aug 2010

