- Home
- Kanker
- Soorten kanker
- Borstkanker bij vrouwen
- Behandeling
Behandeling
De meest toegepaste behandelingen bij borstkanker zijn:
-
operatie (chirurgie);
-
bestraling (radiotherapie);
-
chemotherapie (behandeling met celdodende of celdelingremmende medicijnen);
-
hormonale therapie;
-
behandeling met monoklonale antilichamen.
Veel vrouwen met borstkanker krijgen een combinatie van de genoemde
behandelmethoden. De keuze en de volgorde van de verschillende behandelingen
is onder meer afhankelijk van de kenmerken van de tumor, het stadium van de
ziekte, uw leeftijd en of u voor of na de overgang bent.
Welke behandelingen bij u tot de mogelijkheden behoren, zal uw specialist
uitgebreid met u bespreken. De eerste stap is meestal een operatieve
ingreep. Maar ook de andere behandelingen, zoals bestraling, chemotherapie
en/of hormonale therapie en de volgorde van de behandelingen komen aan de
orde.
Als patiënt heeft u onder meer recht op goede en volledige informatie over uw ziektebeeld en behandeling, zodat u hierover zelf kunt beslissen. Deze rechten zijn wettelijk vastgelegd. Voor meer informatie kunt u in uw ziekenhuis vragen naar een folder over uw rechten als patiënt.
Doel van de behandeling
Wanneer een behandeling genezing tot doel heeft, wordt dat een curatieve
behandeling genoemd. Onderdeel van een curatieve behandeling kan een
aanvullende behandeling zijn. Bijvoorbeeld chemotherapie na een operatie, om
eventuele niet-waarneembare uitzaaiingen te bestrijden (adjuvante
behandeling) en daarmee de kans op ziektevrije, langdurige overleving te
vergroten. Of chemo- of radiotherapie voor een operatie om de tumor te
verkleinen (neo-adjuvante behandeling).
De genoemde behandelingen (curatief of adjuvant) zijn bedoeld om het risico op terugkeer van de ziekte zo klein mogelijk te maken.
Als de ziekte niet (meer) curatief kan worden behandeld, is een palliatieve behandeling mogelijk. Zo'n behandeling is gericht op het remmen van de ziekte en/of vermindering van de klachten.
Operatie
Bij vrouwen met borstkanker vindt meestal een operatie plaats. Een
operatie is een plaatselijke behandeling. De chirurg verwijdert het
tumorweefsel. Ook haalt hij weefsel rond de tumor weg. Dit gebeurt omdat de
arts tijdens de operatie niet kan zien of in het weefsel net rond de tumor
ook kankercellen zitten.
Door wat extra weefsel weg te halen is de kans groter dat alle kankercellen inderdaad weg zijn. Een patholoog onderzoekt het weggenomen weefsel onder de microscoop op aanwezigheid van kankercellen. De uitslag van dit onderzoek geeft belangrijke informatie over het stadium van de ziekte en bepaalt mede of verdere behandeling noodzakelijk is.
Door wat extra weefsel weg te halen is de kans groter dat alle kankercellen inderdaad weg zijn. Een patholoog onderzoekt het weggenomen weefsel onder de microscoop op aanwezigheid van kankercellen. De uitslag van dit onderzoek geeft belangrijke informatie over het stadium van de ziekte en bepaalt mede of verdere behandeling noodzakelijk is.
Er bestaan twee soorten borstoperaties: de borstamputatie (ablatio) en de
borstsparende operatie. Bij een borstamputatie worden de hele borstklier
(met vet- en bindweefsel) en de huid en de tepel verwijderd. De
onderliggende borstspieren blijven gespaard.
Een borstsparende operatie is een onderdeel van een borstsparende behandeling. Hierbij wordt alléén de tumor met omringend gezond weefsel verwijderd. Deze operatie wordt altijd gevolgd door bestraling.
Een borstsparende operatie is een onderdeel van een borstsparende behandeling. Hierbij wordt alléén de tumor met omringend gezond weefsel verwijderd. Deze operatie wordt altijd gevolgd door bestraling.
Vóór de operatie zal de chirurg met u bespreken welke behandelmogelijkheden
er zijn. Indien er in medisch opzicht geen voorkeur is, bieden beide
behandelingen evenveel kans op overleving.
Bij de afweging tussen een borstamputatie of een borstsparende behandeling spelen medisch gezien verschillende factoren een rol, zoals de grootte van de tumor ten opzichte van de omvang van de borst en de eventuele aanwezigheid van meer tumoren in dezelfde borst. Uw leeftijd is hierbij niet van doorslaggevende betekenis. Wel is bij vrouwen jonger dan 35 jaar het risico op terugkeer van de borstkanker in de behandelde borst iets groter bij een borstsparende behandeling.
Hoewel een operatie op korte termijn noodzakelijk is, betekent het niet dat
u binnen enkele dagen over uw keuze van behandeling moet beslissen. Een
tweede gesprek (bijvoorbeeld met een radiotherapeutoncoloog
(bestralingsarts) en/of een mammacareverpleegkundige), schriftelijke
informatie en/of contact met een lotgenote, kunnen helpen om tot een
afgewogen beslissing te komen.
Vaststellen lymfeklieruitzaaiingen
Bij een operatie aan de borst wordt ook onderzocht of er
lymfeklieruitzaaiingen zijn. Het is belangrijk dit te weten omdat de kansen
op overleving dan minder gunstig zijn. Dat heeft gevolgen voor het
behandeladvies na de operatie. Dit wordt ook onderzocht als uit eerder
onderzoek geen aanwijzingen voor uitzaaiingen zijn gevonden.
Onderzoek naar eventuele lymfeklieruitzaaiingen vindt plaats met de
schildwachtklierprocedure. Een schildwachtklier is een lymfeklier die direct
lymfeafvloed ontvangt van het gebied in de borst waar de tumor zich bevindt.
Schildwachtklieren kunnen zich op verschillende plaatsen rond de borst
bevinden: meestal in de oksel, maar soms ook onder het sleutelbeen, naast
het borstbeen tussen de ribben, en in de borst zelf. Als de tumor via
lymfevaten uitzaait, komen de kankercellen meestal eerst in één of soms meer
schildwachtklieren terecht.
Schildwachtklieren worden opgespoord met behulp van een licht radioactieve
stof die meestal daags vóór de operatie wordt toegediend, en een blauwe
kleurstof die kort voor de operatie wordt ingespoten. Tijdens de operatie
verwijdert de chirurg alleen de schildwachtklier(en) en stuurt deze voor
onderzoek naar de patholoog.
Als uit dat onderzoek blijkt dat een of meer schildwachtklier(en) uit de
oksel kankercellen bevat(ten), wordt het verwijderen van álle okselklieren
geadviseerd. Soms is hier een tweede operatie voor nodig.
Na de verwijdering onderzoekt de patholoog alle okselklieren stuk voor stuk
onder de microscoop. De kans dat er dan in méér lymfeklieren uitzaaiingen
gevonden worden, is ongeveer 40%. Afhankelijk van de uitslag - die na
ongeveer een week bekend is - bepalen de artsen of en zo ja welke
vervolgbehandeling nodig is. Patiënten met lymfeklieruitzaaiingen krijgen in
principe een curatieve behandeling.
Het verwijderen van alle okselklieren kan ertoe leiden dat zich later vocht
in de arm gaat ophopen (lymfoedeem).
Het risico daarop is groter als de oksel na de operatie ook wordt bestraald.
Ook ervaren veel patiënten pijnklachten.
In ongeveer 60% van de schildwachtklieroperaties worden géén tumorcellen in
de schildwachtklier(en) in de oksel gevonden. De kans op uitzaaiingen in
andere oksellymfeklieren is dan kleiner dan 5%. Er zal dan geen complete
okselklierverwijdering worden geadviseerd.
Lymfeklieruitzaaiingen naar andere klieren dan die in de oksel komen bij
borstkanker relatief weinig voor. Soms echter blijkt tijdens de
schildwachtklierprocedure toch dat er lymfevocht uit de borst afvloeit naar
klieren naast het borstbeen of onder het sleutelbeen. Uit wetenschappelijk
onderzoek staat niet vast dat onderzoek van die schildwachtklieren de
overlevingskansen verbetert.
In bepaalde situaties is de schildwachtklierprocedure niet zinvol of minder
betrouwbaar:
-
Als vóór de operatie al is vastgesteld dat er lymfeklieruitzaaiingen zijn, bijvoorbeeld met behulp van echografie.
-
Als er meer dan één kwaadaardige tumor in de borst zit.
-
Als de tumor groter is dan 5 centimeter.
-
Als het kwaadaardig gezwel al uit de borst verwijderd is.
Bestraling
Bestraling is een plaatselijke behandeling om kankercellen te vernietigen,
terwijl de gezonde cellen zo veel mogelijk gespaard blijven. Kankercellen
verdragen straling slechter dan gezonde cellen en herstellen zich er minder
goed van. Gezonde cellen herstellen zich over het algemeen wel.
Radiotherapie bij borstkanker wordt meestal in combinatie met andere
behandelingen toegepast en kan curatief, adjuvant of palliatief bedoeld
zijn. Radiotherapie is bij borstkanker meestal onderdeel van een curatieve
behandeling, zoals bij een borstsparende behandeling. Ook wordt
radiotherapie gegeven als een operatie bij grotere tumoren zonder
uitzaaiingen elders in het lichaam niet mogelijk is.
Adjuvante radiotherapie na een borstamputatie is erop gericht om de
plaatselijke terugkeer van de ziekte te voorkomen. Bij sommige mensen is
radiotherapie een palliatieve behandeling. Bijvoorbeeld om pijn door
uitzaaiingen te verminderen.
Curatieve en adjuvante bestralingsbehandelingen bestaan meestal uit ongeveer 25 tot 35 bestralingen die, gedurende 5 tot 7 weken, elke werkdag worden gegeven. Palliatieve bestraling is korter: meestal een tot enkele keren.
Bestraling kan op twee manieren worden toegepast: uitwendig en inwendig.
Inwendige bestraling wordt bij borstkanker vrijwel niet gegeven.
Uitwendige bestraling
De straling komt uit een bestralingstoestel. Het te behandelen gebied wordt
van buitenaf - door de huid heen - bestraald. De radiotherapeut zorgt ervoor
dat de stralenbundel nauwkeurig wordt gericht en dat het omliggende, gezonde
weefsel zo veel mogelijk buiten het te bestralen gebied blijft.
Voor uitwendige bestraling is geen opname in het ziekenhuis nodig.
Bijwerkingen
Bestraling beschadigt niet alleen kankercellen, maar ook gezonde cellen in
het bestraalde gebied. De bijwerkingen die u kunt verwachten hangen af van
het bestraalde gebied, de bestralingsdosis en de toegepaste techniek. Over
het algemeen hebben patiënten tijdens en na afloop van de bestralingsperiode
last van futloosheid en vermoeidheid.
Een andere veelvoorkomende bijwerking is een plaatselijke reactie van de
huid. Er kan een rode of donker verkleurde huid ontstaan op de plek waar u
bestraald bent. Soms laat het bovenste laagje van de huid los, als bij een
schaafwond. Bijvoorbeeld in de plooi onder de borst. Er bestaat een kleine
kans dat op lange termijn littekenvorming optreedt in het onderhuids weefsel
en de spieren van het bestraalde gebied.
Het risico op lymfoedeem van de arm na een okseloperatie neemt toe als de okselklieren na de operatie worden bestraald. Sommige patiënten krijgen last van drukkende pijn op de borstwand of steken in de littekens. Dat is hinderlijk, maar niet gevaarlijk.
De meeste klachten verdwijnen doorgaans enkele weken na afloop van de
behandeling. Sommige mensen merken echter nog lang na hun behandeling dat
zij eerder vermoeid zijn dan vóór hun ziekte.
Op de bestralingsafdeling krijgt u gerichte adviezen om zo min mogelijk last te hebben van de bijwerkingen.
Borstsparende behandeling
Bij een borstsparende behandeling wordt altijd bestraling toegepast. De
bestralingsbehandeling bestaat meestal uit 25 uitwendige bestralingen van de
hele borst en 5 tot 10 extra bestralingen van het gebied waar de tumor
verwijderd is (boost, spreek uit als 'boest'). Het doel is eventueel in de
borst achtergebleven kankercellen te vernietigen.
Chemotherapie
Chemotherapie is de behandeling van kanker met celdodende of
celdelingremmende medicijnen: cytostatica. Er zijn verschillende soorten
cytostatica, elk met een eigen werking. De medicijnen kunnen op
verschillende manieren worden toegediend, bijvoorbeeld per infuus, als
tablet of per injectie. Via het bloed verspreiden zij zich door uw lichaam
en kunnen op vrijwel alle plaatsen kankercellen bereiken. Vaak worden
verschillende combinaties van medicijnen gegeven.
Adjuvante chemotherapie
Bij borstkanker kan chemotherapie onderdeel van een curatieve behandeling
zijn. De behandeling wordt gegeven na de operatie (en eventueel gecombineerd
met hormonale therapie en/of radiotherapie) als er een groter risico bestaat
op terugkeer van de ziekte vanwege eventuele zeer kleine, onzichtbare
uitzaaiingen (micrometastasen). Dit kan soms jaren later zijn.
Het risico op uitzaaiingen is afhankelijk van de grootte van de tumor, de
mate van kwaadaardigheid, de hormoongevoeligheid, of en hoeveel
lymfeklieruitzaaiingen er zijn en uw leeftijd. Dit risico wordt berekend met
behulp van de uitkomsten van het onderzoek van het weefsel. Met adjuvante
chemotherapie kan het risico op uitzaaiingen met ongeveer de helft worden
verminderd. Vraag uw specialist(en) om een goede uitleg over het
behandeladvies en de overwegingen die daarbij een rol spelen.
Adjuvante chemotherapie start meestal enkele weken na de operatie of de
bestraling.
Neo-adjuvante chemotherapie
Bij grotere tumoren wordt ook wel chemotherapie gegeven voorafgaand aan de
operatie: neo-adjuvante chemotherapie. De cytostatica kunnen dan niet alleen
eventuele nog onzichtbare uitzaaiingen vernietigen, maar tevens de tumor in
de borst verkleinen.
Als vóór de operatie al duidelijk is dat adjuvante chemotherapie nodig is,
kan het daarom gunstig zijn daarmee voor de operatie te starten. Als de
tumor aanvankelijk te groot was voor een borstsparende operatie, is dat na
de chemotherapie wellicht wel mogelijk.
De overlevingskansen zijn bij adjuvante en neoadjuvante chemotherapie even
groot.
Palliatieve chemotherapie
Als er uitzaaiingen op afstand zijn aangetoond, of dat nu meteen bij de
diagnose is of jaren na de behandeling, kan chemotherapie als palliatieve
(ziekteremmende en/of klachtenverlichtende) behandeling worden aangeraden.
Cytostaticakuur
Meestal worden de cytostatica gedurende enkele uren toegediend via een ader
(intraveneus). Dat gebeurt volgens een vast schema, doorgaans eens per twee
of drie weken. Zo'n toedieningsschema met 'rustperiodes' waarin u geen
cytostatica krijgt, heet een cytostaticakuur. Een kuur kan ook bestaan uit
tabletten die u volgens een schema steeds enkele dagen gebruikt. Een
cytostaticakuur wordt enkele malen herhaald, meestal zes tot acht keer.
Borstkankercellen reageren verschillend op cytostatica. Om een zo goed
mogelijk resultaat te bereiken, wordt daarom vaak een combinatie van
verschillende cytostatica toegepast. Deze vullen dan elkaars werking aan. De
mate waarin kankercellen reageren op cytostatica, kan tijdens de behandeling
afnemen. Ook kan resistentie optreden. Dit betekent dat kankercellen niet
meer reageren op de cytostatica. Daarom wordt soms na enige tijd op andere
cytostatica overgegaan, al dan niet in combinatie met bestraling.
Bijwerkingen
Cytostatica tasten naast kankercellen ook gezonde cellen aan. Daardoor
kunnen onaangename bijwerkingen optreden. Haaruitval, misselijkheid, braken,
darmstoornissen, een verhoogd risico op infecties en vermoeidheid zijn
hiervan enkele voorbeelden. Bij een behandeling waarbij bestraling en
chemotherapie op elkaar volgen, kunnen de bijwerkingen sterker zijn.
Acute misselijkheid en overgeven zijn meestal te bestrijden met medicijnen.
De bijwerkingen verminderen doorgaans geleidelijk nadat de
cytostaticatoediening is beëindigd. Vermoeidheid kan na de behandeling
echter nog lang aanhouden.
Of u last krijgt van bijwerkingen hangt onder meer af van de soort en
hoeveelheden cytostatica die u krijgt.
Cytostatica kunnen veranderingen teweegbrengen in het menstruatiepatroon.
Afhankelijk van de toegediende cytostatica kan de menstruatie onregelmatiger
worden of verdwijnen. Als gevolg daarvan kan vervroegd de overgang en dus
onvruchtbaarheid optreden. Voor vrouwen onder de 40 bedraagt dat risico
ongeveer 20 tot 30%, voor vrouwen boven de 45 is dat risico 80 tot 100%.
Cytostatica kunnen haaruitval veroorzaken. Over het algemeen is deze
haaruitval tijdelijk. Het is belangrijk dat u tijdig weet of de medicijnen
die u krijgt tot haarverlies kunnen leiden. U kunt zich hier dan op
voorbereiden. Bijvoorbeeld door een pruik te bestellen. Informeer in het
ziekenhuis waar u hiervoor terecht kunt.
Steeds meer ziekenhuizen passen bij bepaalde behandelingen hoofdhuidkoeling
toe. Dit is een methode om haaruitval te verkomen of te verminderen. Vraag
uw specialist of verpleegkundige of u voor hoofdhuidkoeling in aanmerking
komt.
Of u last krijgt van bijwerkingen hangt onder meer af van de soort en
hoeveelheden cytostatica die u krijgt.
Het is belangrijk al uw klachten te bespreken met uw specialist. Misschien
is er een manier of middel om de hinderlijke bijwerkingen tegen te gaan. Uw
specialist geeft u uitleg over de bijwerkingen of verwijst u naar iemand die
u nader kan informeren.
Hormonale behandeling
Hormonen zijn stoffen die ons lichaam zelf maakt. Zij worden uitgescheiden
in het bloed en beïnvloeden bepaalde processen of organen in ons lichaam.
Een belangrijke groep hormonen zijn de geslachtshormonen.
Borstkankercellen zijn voor hun groei vaak (deels) afhankelijk van de
aanwezigheid van de geslachtshormonen oestrogeen en progesteron. Als dat zo
is, wordt de tumor 'hormoongevoelig' genoemd.
Hormonale therapie maakt van die gevoeligheid gebruik. De productie van
'eigen' hormonen wordt beperkt of hun invloed wordt verminderd. In een vroeg
stadium van borstkanker kan hormonale therapie bijdragen aan betere
overlevingskansen. Bij uitzaaiingen kunnen het ontstaan en de woekering van
de kankercellen (tijdelijk)worden stopgezet.
Of u voor hormonale therapie in aanmerking komt, hangt in de eerste plaats
af van de vraag of de tumor gevoelig is voor hormonen. Bij weefselonderzoek
in het laboratorium worden de kankercellen onderzocht op de aanwezigheid van
zogenoemde 'hormoonreceptoren'. Deze receptoren zorgen voor de verbinding
met hormonen, waardoor de tumor blijft doorgroeien.
Als er hormoonreceptoren worden gevonden, spreekt men van hormoongevoelige
borstkanker. De kans dat de tumor dan gunstig reageert op hormonale therapie
ligt tussen de 50 en 75%. Als er géén receptoren worden aangetoond, spreekt
men van hormoonongevoelige borstkanker. De kans op verbetering van de ziekte
door hormonale therapie is dan gering.
Een hormonale behandeling kan geadviseerd worden als (neo-)adjuvante
behandeling (eventueel in combinatie met chemotherapie en/of monoklonale
antilichamen) en als palliatieve behandeling.
Welke hormonale therapie voor u het meest geschikt is, hangt onder meer af van uw leeftijd, het stadium van de ziekte en van uw eigen overwegingen.
Hormonale therapie kan op een aantal manieren worden toegepast. Deze
medicijnen remmen de aanmaak of werking van bepaalde 'eigen' hormonen.
Hierdoor wordt de woekering van de kankercellen stopgezet en sterven de
hormoongevoelige kankercellen uiteindelijk af. Veel mensen met borstkanker
worden behandeld het hormoonpreparaat tamoxifen. Deze medicijnen remmen de
aanmaak of werking van bepaalde 'eigen' hormonen. Hierdoor wordt de
woekering van de kankercellen stopgezet en sterven de hormoongevoelige
kankercellen uiteindelijk af. Patiënten moeten tamoxifen meestal een
aantal jaren gebruiken. Ook kiezen artsen ook steeds vaker voor zogenoemde
aromataseremmers (anastrozol, letrozol, exemestane). U krijgt dit middel
direct aan het begin van uw behandeling of nadat u al twee tot drie jaar
tamoxifen heeft gebruikt.
Vrouwen maken na de overgang, als de eierstokken geen oestrogenen meer
produceren, toch nog oestrogenen aan. Deze aanmaak vindt in het onderhuids
vetweefsel plaats uit weer andere hormonen, die in de bijnieren zijn
gemaakt. Deze vrouwen krijgen meestal aromataseremmers voorgeschreven, die
deze aanmaak remmen. Ook kan aan hen een behandeling met antihormonen worden
gegeven.
Bij vrouwen die nog niet in de overgang zijn, kan de behandeling bestaan uit
het tijdelijk of blijvend uitschakelen van de hormoonproductie van de
eierstokken. Dit gebeurt met driemaandelijkse injecties met langwerkende
hormonen. De injecties worden gegeven in combinatie met antihormonen.
Na het stoppen van de behandeling keert bij de meeste vrouwen de menstruatie weer terug. Soms kan bij een gunstige reactie op de injecties overwogen worden de eierstokfunctie definitief uit te schakelen door de eierstokken operatief te verwijderen. Het is dan wel nodig antihormonen of aromataseremmers te blijven gebruiken.
Een andere hormonale therapie bestaat uit het verwijderen van de zaadballen.
Deze behandeling wordt steeds minder vaak toegepast.
Bijwerkingen en gevolgen
De bijwerkingen en gevolgen van hormonale therapie bij vrouwen hangen samen
met het type hormonale therapie en de vraag of u bijaanvang daarvan voor, in
of na de overgang was. Een vrouw die nog niet in de overgang is, en bij wie
de eierstokken worden weggehaald, komt vervroegd in de overgang en krijgt de
daarbij horende klachten.
Bij vrouwen die al in de overgang waren, kan hormonale therapie
overgangsklachten verergeren. Het risico op (on)vruchtbaarheid hangt af van
de soort hormonale behandeling, uw leeftijd en eventuele voorgaande
behandelingen, zoals chemotherapie. Vrouwen die mogelijk (nog) kinderen
willen, kunnen dit het beste vóór aanvang van de behandeling met hun
specialist bespreken.
Aromataseremmers kunnen gewrichtsklachten en botontkalking als bijwerking
hebben.
Behandeling met monoklonale antilichamen
Toediening van monoklonale antilichamen is een vrij nieuwe behandeling van
borstkanker. De behandeling wordt meestal gegeven in combinatie met
chemotherapie en soms ook met hormonale therapie.
Een overmaat van bepaalde eiwitten op de tumorcellen, HER2, zorgen ervoor
dat de tumorcellen te veel groeiprikkels in de cel doorlaten. Bepaalde
monoklonale antilichamen kunnen die eiwitten blokkeren. De kankercellen
kunnen daardoor deels afsterven of zich minder goed herstellen nadat ze
beschadigd zijn door chemotherapie en/of hormonale therapie. Hierdoor kan de
ziekte beter behandeld worden.
Om te weten of u voor zo'n behandeling met antilichamen in aanmerking komt, moet eerst worden onderzocht of de tumor een overmaat aan HER2-eiwit heeft. De toediening van monoklonale antilichamen vindt plaats per infuus.
Bij mensen met uitzaaiingen kan de behandeling weken tot jaren duren. Bij hen worden de antilichamen aanvankelijk eens per week tot eens per drie weken toegediend. Mensen zonder uitzaaiingen, die adjuvant behandeld worden met monoklonale antilichamen, krijgen de therapie een jaar lang eens per drie weken toegediend.
Een behandeling met monoklonale antilichamen kan geadviseerd worden als adjuvante en palliatieve behandeling.
Bijwerkingen
Vooral na toediening van de eerste dosis monoklonale antilichamen kunnen
soms bijwerkingen ontstaan zoals koorts, spierpijn, misselijkheid en
allergische reacties (onder meer koude rillingen en kortademigheid). Na de
eerste dosis verdragen de meeste mensen de behandeling goed en treden er
nauwelijks meer bijwerkingen op.
De therapie kan de hartpompfunctie doen verminderen. Daarom zal uit voorzorg
de hartspierfunctie af en toeworden gecontroleerd, zeker als de therapie
gegeven wordt in combinatie met chemotherapie. De bijwerkingen zijn ook
afhankelijk van de combinatie met andere medicijnen.
Veel verschillende behandelingen
Zoals u heeft kunnen lezen zijn er veel verschillende (combinaties van)
behandelingen van borstkanker. Mensen met borstkanker of familieleden en
vrienden verbinden aan de behandelkeuze nogal eens ten onrechte conclusies
over de kansen op overleving. Iedereen kent wel uitspraken als: 'Zij/hij is
bestraald, dan zal het wel ernstig zijn.'. Dergelijke uitspraken zijn
meestal niet op kennis over de situatie en behandeling gebaseerd en kunnen
veel onrust oproepen.
Alleen de behandelend arts kan mensen met borstkanker antwoord geven op
vragen als: in welk stadium verkeert mijn ziekte, welke behandelingen hebben
de voorkeur en waarom en welke resultaten mogen daarvan worden verwacht?
Laatst gewijzigd op 04 aug 2010

