Increase text size

KWF Home

Doneer Online (Giro 26000)

Kanker

Behandeling van niet-kleincellige longkanker




Operatie (chirurgie)

Meestal wordt bij een niet-kleincellige longtumor voor een operatie gekozen, als:
 
  • de tumor nog klein is
  • nog niet is ingegroeid
  • en - voor zover bekend - niet is uitgezaaid
Dit is in opzet een curatieve behandeling.
 
Een longoperatie is een ingrijpende behandeling. Bij de keuze voor deze behandeling spelen twee argumenten een belangrijke rol:
  • uw conditie voor de operatie
  • de verwachte, resterende longfunctie na de operatie
Tijdens de operatie wordt de tumor met een deel van het omringende weefsel verwijderd. Dit kan inhouden dat één longkwab wordt verwijderd, maar het komt ook voor dat één van de longen in zijn geheel wordt weggehaald.
 
Ook een deel van het schijnbaar gezonde weefsel wordt weggenomen. Dit gebeurt omdat tijdens de operatie niet te zien is of het weefsel net buiten het tumorgebied vrij is van kankercellen. Het ruim opereren vergroot de kans dat alle kankercellen inderdaad weg zijn. Meestal worden ook enkele nabijgelegen lymfeklieren verwijderd.
 
Een patholoog onderzoekt de randen van het weggenomen weefsel onder de microscoop op de aanwezigheid van kankercellen. De uitslag van dit onderzoek geeft belangrijke informatie over het stadium van de ziekte. Deze informatie bepaalt mede of verdere behandeling noodzakelijk is.
 
Een longoperatie is een grote operatie, die veel van u vraagt. Er is altijd intensieve nazorg nodig, met een goede pijnbestrijding. Steeds is er begeleiding door een fysiotherapeut, die u leert op de juiste manier adem te halen en slijm op te hoesten.
 
Wanneer een deel van een long wordt weggenomen, brengt de chirurg een afvoerslang (drain) in in de borstholte, die na de operatie vocht en lucht afvoert. De drain mag er na een aantal dagen uit. De duur van de opname is gemiddeld tien dagen. Voor het herstel moet u op enkele maanden rekenen.

Gevolgen

Door het wegnemen van een (deel van een) long ontstaat ruimte. Is een long in zijn geheel verwijderd, dan vult de ontstane ruimte zich met vocht. Als een gedeelte van een long wordt verwijderd, vult de ruimte die dan ontstaat zich met het overgebleven deel van de long. De borstkas zal vaak iets kleiner worden aan de kant waar (een deel van) een long is weggenomen.

 
Het is mogelijk dat u hinder ondervindt nadat een (gedeelte van een) long is weggenomen. Zo kan tijdens bepaalde weersomstandigheden, zoals vochtig weer, felle kou of veel wind, de ademhaling moeizamer gaan. Verder kan een verminderde longinhoud betekenen dat uw uithoudingsvermogen vermindert.

Bestraling (radiotherapie)

Bestraling is bij longkanker vaak palliatief, maar kan ook onderdeel zijn van een curatieve behandeling. Bestraling kan zowel uitwendig als inwendig plaatsvinden.
 

Uitwendige bestraling

Uitwendige bestraling is bij patiënten met longkanker de meest gebruikelijke behandeling. Het kan als behandeling worden gekozen als de tumor niet operatief kan worden verwijderd, of als de conditie van een patiënt een longoperatie niet toelaat.
 
Bestraling heeft tot doel de longtumor en/of de uitzaaiingen in de lymfeklieren in het mediastinum (de ruimte tussen de twee longen) zoveel mogelijk te verkleinen en in hun groei te remmen.
 
Uitwendige bestraling wordt ook toegepast als er na de operatie nog kankercellen zijn achtergebleven.
 
Met bestraling kunnen klachten zoals bloed opgeven, hoesten en kortademigheid worden verminderd.
Ook kan met bestraling pijn worden bestreden, bijvoorbeeld als de longkanker in de ribben doorgroeit of bij uitzaaiingen in de botten.
 
Meer over uitwendige bestraling 
 
Kleine niet ingegroeide longtumoren kunnen soms worden behandeld met stereotactische bestraling (precisiebestraling).
 

Inwendige bestraling

Voor inwendige bestraling komt slechts een zeer beperkt aantal mensen met longkanker in aanmerking. Inwendige bestraling wordt veelal als palliatieve behandeling gegeven, om klachten te verminderen.
 
Bij inwendige bestraling (brachytherapie) wordt radioactief materiaal in of bij de tumor geplaatst en vindt bestraling van binnenuit plaats. Het inbrengen van de bronhouder gebeurt meestal onder plaatselijke verdoving.
 
Nabijgelegen lymfeklieren kunnen niet worden meebestraald. Als dit wel nodig is, kan de behandelend specialist voor een andere behandeling of een combinatie van behandelingen kiezen.
 
Tijdens de inwendige bestraling verblijft u, vanwege de straling, in een kamer met speciale voorzieningen. Daar wordt u aangesloten op een 'afterloading apparaat'. Dit apparaat brengt radioactiviteit over naar de bronhouders die in uw lichaam zijn geplaatst. De radiotherapeut berekent nauwkeurig hoeveel straling u nodg heeft.
 
Of voor de behandeling opname in het ziekenhuis nodig is, hangt af van de duur van de bestraling. Meestal is dit wel het geval; soms is een poliklinische behandeling mogelijk.
 
Als de bestraling klaar is, wordt het afterloading apparaat losgekoppeld en de bronhouders verwijderd. U bent daarna vrij van straling.
 
 
Bijwerkingen van inwendige bestraling zijn doorgaans gering.
 
 

Chemotherapie

Naast een operatie en/of bestraling speelt chemotherapie bij niet-kleincellige longkanker een belangrijke rol als:
 
  • adjuvante behandeling, gelijktijdig met of voorafgaand aan een bestralingsbehandeling, om eventuele kankercellen elders in het lichaam te vernietigen
  • neo-adjuvante behandeling, om de tumor te verkleinen, zodat de operatie en/of bestraling beter mogelijk wordt, en om eventuele kankercellen elders in het lichaam te vernietigen
  • palliatieve behandeling, om in een vergevorderd stadium van longkanker te proberen klachten te verminderen of de ziekte te remmen
 
De behandelingen kunnen ook plaatsvinden in het kader van onderzoek naar nieuwe behandelingen. Het doel is dan na te gaan welke rol chemotherapie kan spelen bij de verbetering van de behandeling.
 
 

Tumorgroeiremmers

Tumorgroeiremmers (Tyrosinekinaseremmers) zijn medicijnen die er op gericht zijn de tumor te verkleinen en de klachten te verminderen. Deze vrij nieuwe behandeling wordt vooral gegeven aan patiënten waarbij de tumor niet meer reageert op chemotherapie.
 
De remmers zijn beschikbaar als pil en moeten dagelijks worden ingenomen.
 
De meest voorkomende bijwerkingen zijn huiduitslag en diarree. 
 

Andere behandelingen

Laserlicht

Met behulp van bepaalde soorten laserlicht is het mogelijk tumorweefsel plaatselijk te vernietigen. Deze veelal palliatieve behandeling kan bijvoorbeeld worden toegepast bij klachten als hoesten of kortademigheid door tumorgroei in één van de grote vertakkingen van de luchtpijp (bronchus).
 
Een laserbehandeling wordt ook wel gegeven om een klacht als bloed opgeven te verminderen.
 

Elektrische stroom

Het is ook mogelijk om met elektrische stroom de tumor in de luchtweg te verkleinen of weg te branden.
 

Plaatsen van een stent

Als de luchtpijp - door druk van buitenaf - vernauwd is, kan soms een buisje (stent) in de luchtweg worden geplaatst. Dit buisje  vermindert de klachten van kortademigheid of laat ze verdwijnen.
Laatst gewijzigd op 01 jul 2010
Samen voorop in de strijd